Navigatie

Revolutie in het onderwijs in de jaren 60 van de 20e eeuw

Revolutie in het onderwijs in de jaren 60 van de 20e eeuw

door Hans van Iperen, oud-leerling en voorzitter van de jubileumcommissie.

Dit artikel is eerder geplaatst in nieuwsbrief 1

In 1964 en ’65, nog midden in mijn Delftse studie Wiskunde, gaf ik les in de lagere klassen van het Gemeentelijk Gymnasium én van onze school. Op het Gymnasium vroeg Mevrouw Lazzari-Vonk, lerares klassieke talen, mij als jongste collega of het toch niet verderfelijk was dat leerlingen zulke boeken lazen als ‘Ik, Jan Cremer’ dat net was uitgekomen. “Ach, mevrouw, die kinderen lezen dat toch heel anders dan U”, zal ik geantwoord hebben. Op de HBS was Mejuffrouw Hoffmann, onvergetelijke lerares Duits sinds 1922(!), net met pensioen. Toch kon ik me haar nog steeds voorstellen, als eerder in mijn eindexamenjaar 1958, koffie zettende  in de lerarenkamer.[2]
Ik had nog geen weet van ‘de Mammoetwet’, of die ‘revolutie’; mijn afstudeerhoogleraar voelde zich te hoog voor het onderwijs, vakdidacticus Dr Piet Vredenduin had daar over niets te melden, en ik was nog zo groen als gras op dit punt.
Zelf in 1951 de eerste van mijn hele familie die op de HBS kwam – met mij 1/3 van de klas – had ik ook niet in de gaten dat 15 jaar later een nieuwe fase in trad.

foto: dhr. Cals, minister van onderwijs ten tijd van de invoering van de Mammoetwet

In 1963 nam de Kamer de Wet op het voortgezet onderwijs aan – in de volksmond dus de Mammoetwet –, die vanaf 1968 van kracht werd.
Vanaf dat moment waren er drie schoolsoorten: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (atheneum en gymnasium), algemeen vormend onderwijs (mavo en havo) en beroepsonderwijs. Het selectieprobleem werd aangepakt door de instelling van een brugklas, waarin leerlingen konden uitvinden welk schooltype het best bij hen paste. De doorstroming werd verbeterd doordat verschillende schooltypes werden samengevoegd in een scholengemeenschap, waarin leerlingen makkelijker konden overstappen van een lager naar een hoger schooltype. Of andersom, als het niet goed ging.
De havo vormde een tussenstap tussen mavo en vwo en maakte zo doorstroming naar boven mogelijk. Op die manier konden laatbloeiers toch de top van het schoolsysteem bereiken en zelfs gaan studeren. Vakkenpakketten – ook een nieuw fenomeen - hielpen om zittenblijven of afzakken naar een lager schooltype te voorkomen. Leerlingen konden zich nu concentreren op de vakken die hun lagen.

In 1969 bevestigde de overheid de nieuwe opvattingen door de Leerplichtwet te wijzigen: kinderen moesten voortaan een jaar langer, tot hun vijftiende, onderwijs volgen. Het werd dus moeilijker om op jeugdige leeftijd te gaan werken. In 1975 werd de leerplicht verlengd tot zestien jaar.

Het bleek al snel dat het concept van de brugklas niet werkte. Het niveauverschil tussen de leerlingen die van de basisschool kwamen was te groot. De brugklas werd in 1992 wettelijk vervangen door de basisvorming en die werd in 1993 ingevoerd. In 1999 ontstond het vmbo uit de MAVO en het LBO. Het misverstand is geweest, dat de mavo daarmee werd afgeschaft. Die is echter nooit uit de wet verdwenen en dat is ook de reden waarom er naast de theoretische leerweg van het VMBO steeds categoriale mavo’s zijn gebleven.[3]

Begin jaren zestig probeerde minister Cals ook meer structuur aan te brengen in het universitaire onderwijs. Hij stelde onder meer een studieduur voor van vijf jaar. De studenten reageerden furieus op deze aantasting van de ‘academische vrijheid’.  Er ontstond een studentenvakbeweging die het verzet tegen de plannen van Cals leidde;  veel was daarvan het gevolg, maar in dit bestek is wat volgt van belang.

Ook op de scholen was de sfeer definitief veranderd. Docenten stelden zich minder autoritair op en er kwam meer aandacht voor de zachte kanten van het onderwijs. Dat draaide niet meer alleen om de harde eindtermen, maar ook om de ontplooiing van leerlingen. Ze moesten zelfstandig leren werken en ontdekkend leren. Daarmee sloot het onderwijs aan bij de nieuwe jeugdcultuur, die de beleving van jongeren centraal stelde. Aanvankelijk moesten veel volwassenen daar weinig van hebben, maar uiteindelijk gaven de meesten zich gewonnen. De jeugdcultuur was niet langer een beweging van tegendraadse studenten en hippies, maar werd op den duur de dominante maatschappelijke stroming. Voortaan kregen jongeren te maken met ouders en docenten die naar dezelfde muziek luisterden, en die zich net zo kleedden en net zo dachten als zij.

De jaren 2000 vormen nog geen geschiedenis, reden waarom ik als niet meer dan ervaringsdeskundige van vóór het begin van deze eeuw, er verder het zwijgen toe doe, op de confrontatie na die mij trof nu ik gast ben op de huidige nieuwste versie van ‘mijn’ school die volgend jaar 150 wordt.

Die school ligt nu aan de buitenrand van de wijk Nieuwland; het gemiddeld inkomen per jaar hoort tot de 20% laagste van de stad[4]. Een goed ingevoerde inwoner  vertelde mij dat niet alleen in 1951 of - gestimuleerd door de Mammoetwet - eind jaren ’60 veel ‘familie-eerstelingen’ op middelbare scholen begonnen , maar ook in de huidige tijd in toenemende mate. Veel gezinnen in die wijk haken daar aan bij de trend van betere opleiding; met name voor meisjes.

Voor mij is daarmee de zaak rond.

Hans van Iperen (eindexamen 1958)

 


[1] https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/44084/revolutie-in-het-onderwijs-in-de-jaren-60.html

[2] Honderd jaar Rijks Hogere Burgerschool Schiedam, ‘Huishoudelijke werk in de school’, p. 63

[3] https://www.beteronderwijsnederland.nl/forum/alle-feiten-op-een-rij/

[4] https://allecijfers.nl/wijk/nieuwland-schiedam/

© 2018 - 2019 SCHRAVENLANT 150 JAAR | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel