Navigatie

Herinneringen aan Reinier Oort (1900-1998)

Herinneringen aan Reinier Oort (1900-1998)      
directeur van de RHBS Schiedam 1946-1965   


Geschreven door zijn jongste zoon, Frans Oort

Dit artikel is eerder geplaatst in nieuwsbrief 2

     Het sombere gebouw van de HBS stond op een eigen stuk grond. Daar moesten leerlingen die van de lagere school kwamen toelatingsexamen doen. Mijn vader begreep dat zoiets stress gaf, en hij voelde dan ook mededogen toen hij op zijn fiets het verder nog lege terrein opreed, en daar een klein kereltje met zijn hoofd en handen tegen die hoge muur zag staan. Hij stapte af, maar voor hij troost kon brengen, riep het jongetje “honderd, honderdtien, wie niet weg is is gezien”.

In de jaren 1946-1965 was mijn vader daar directeur, en in de periode 1947-1952 zat ik bij hem op school. Zoveel dankbare herinneringen aan hem. Als directeur was hij streng en rechtvaardig, en gaf met grote toewijding en compassie leiding aan zijn school. Over de episode die ik hier beschreef kon hij smakelijk en met een vrolijke lach vertellen. Hierbij een paar karakteristieken en anekdotes uit die tijd, die hopelijk een beeld geven van hem als persoon, maar vooral als iemand wie het onderwijs, in alle aspecten, hem na aan het hart lag.

In de jaren na zijn pensionering was er een Haagse hobby om scholen groter te maken. We weten allemaal hoe slecht dat in vele gevallen uitpakte. Mijn vader had vóór die tijd al een uitstekend voorbeeld gegeven van de manier waarop je een school van 500 leerlingen moet runnen.

Daarbij hoorde bijvoorbeeld dat hij ernaar streefde álle leerlingen persoonlijk te kennen. Alhoewel hij als directeur van een grote school geen of in elk geval heel weinig les hoefde te geven, gaf hij elk jaar wiskunde in alle eerste klassen.

Hij kon intens genieten van lesgeven. Hij had een heel arsenaal aan onderwerpen in astronomie en wiskunde in voorraad. Bij het uitvallen van een leraar viel hij dan in, en gaf op het niveau van die klas les in één van deze onderwerpen. Hij liet niet graag een uur uitvallen.

Aan de overgangsvergaderingen besteedde hij van tevoren veel tijd. Dan wist hij precies welke paar gevallen in een korte vergadering extra aandacht moesten krijgen. En daarna kwam hij in elke klas uitleggen wat de leraren vonden van het rapport van elke leerling, wat niet altijd leuk was, maar wel erg nuttig.

Onderwijs nam een grote plaats in zijn leven in. Een keer in een hooggelegen berghut in Oostenrijk bleek een van de andere gasten ook een Nederlandse leraar te zijn. De rest van de avond brachten zij door met het bespreken van onderwijsproblemen en wederzijdse ervaringen.

Aan het eind van het schooljaar kwam er een drukke periode: de eerste tijd van de vakantie was hij wel thuis, maar volledig afwezig. In grote concentratie werkte hij aan het rooster. Daarbij hield hij rekening met wensen van docenten. Hij werkte net zolang door tot geen enkele leerkracht en geen enkele klas een tussenuur had.

Hij had gevoel voor wat er in de school omging. Als een leraar moeite had met orde houden, dan ging hij onopvallend achter in de klas zitten, en na afloop besprak hij met de leraar wat hij opgemerkt had, hoe het misschien anders zou kunnen. Hij was een goede collega voor zijn leraren, iemand met gevoel voor dienend leiderschap, en een strenge vaderfiguur voor zijn leerlingen.

Eigenlijk voelde hij, denk ik, de hele schoolgemeenschap als een soort groot gezin, waar hij verantwoordelijk was voor het goed functioneren van zijn leerlingen en leraren.

“Wat je doet, doe dat goed” was zijn motto; hij had de concentratie die kleine kereltjes wel eens niet konden opbrengen. Het was duidelijk wat hij vond van het gebruik van tv terwijl de scholier toch eigenlijk huiswerk moest maken. Wat zou ik graag zijn commentaar horen over het gebruik van de smartphone nu.

In de dertiger jaren, met een gezin met vier kinderen, directeur in Sappemeer en later in Zutphen, en twee verhuizingen, kon hij werken aan een proefschrift en dat in 1937 afsluiten met het verkrijgen van de doctorstitel in Leiden. Hij was een groot voorstander van een academisch niveau bij een substantieel deel van het lerarencorps.

Dingen moesten gaan zoals hij dat juist vond. Als “Den Haag” niet op tijd met geld of goede regelingen over de brug kwam, dan belde hij met “de inspectie”, legde uit hoe een school gerund moest worden, en wat er van overheidswege aan bijgedragen moest worden. Hij had zijn zaakjes prima op orde, en vond dat dat bij iedereen zo moest zijn. Veel tegenspraak kon hij daarbij dan niet verdragen, denk ik.

Voor mij was het niet moeilijk om bij hem op school te zitten. Kwam hij me tegen op de gang, dan straalde hij, en knikte even. Hij had een regeling met me afgesproken dat als een van ons thuis iets over school vertelde, de ander dat niet mocht gebruiken op school. Ik wist waar stiekem gerookt werd, maar medescholieren hadden al gauw door dat zoiets niet via mij bij de directeur terechtkwam.

Naast zijn strenge houding en strikte regels herinner ik me hoe hij vele malen vrolijk en smakelijk over een situatie kon vertellen. – Mijn tante logeerde bij ons en vader kwam thuis, een olijke blik in zijn ogen. De school leek verlaten en leeg, en hij deed nog even de ronde om na te gaan of alles in orde was. Maar in het tekenlokaal brandde nog licht. Daar bleek niet alleen de tekenleraar, met veel moderne ideeën, maar ook een model te zitten. “Ze had alleen maar een hangertje aan” vertelde mijn vader. “Dan heb je wel erg goed gekeken Reinier” was het commentaar van mijn tante.

Ik denk dat leraren en leerlingen door zijn duidelijke en bevlogen leiding veel meegekregen hebben in het leven.

Frans Oort (jongste zoon), december 2018

© 2018 - 2019 SCHRAVENLANT 150 JAAR | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel